4 minuten leestijd

Welke softwarekennis moet een onderwijsorganisatie zelf in huis hebben?

Specialistische kennis kun je inhuren. Het vermogen om die kennis te beoordelen niet.

Onderwijsorganisaties hoeven niet alle softwarekennis zelf in huis te hebben. Voor veel organisaties is dat onrealistisch en meestal ook niet nodig. Maar als vrijwel alle technische kennis buiten de organisatie zit, ontstaat een ander probleem. Een leverancier, ontwikkelaar of adviseur kan zeggen dat iets technisch niet kan, dat een bepaalde oplossing nodig is of dat een risico meevalt. Uiteindelijk moet je als organisatie zelf kunnen beoordelen wat zo’n advies betekent voor je onderwijs, gebruikers en de langere termijn.

Als de onderbouwing in de praktijk stopt bij ‘dat zegt onze leverancier’, ontbreekt er iets. Je hoeft niet zelf te kunnen bouwen, maar je moet wel genoeg begrijpen om verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Dat vermogen wordt belangrijker nu technische mogelijkheden sneller veranderen. AI laat vooral zien hoe snel dat gaat. Wat kort geleden nog een project vergde, kan nu in een middag als eerste versie ontstaan. Daardoor komen ook meer technische keuzes eerder in het proces terecht.

Eigenaarschap is iets anders dan expertise

Een onderwijsorganisatie hoeft geen eigen softwarearchitect, securityspecialist of UX-designer voor iedere vraag in dienst te hebben. Specialistische kennis inhuren is vaak de meest logische keuze. De organisatie heeft een andere taak. Welk probleem lossen we op? Welke risico’s accepteren we? Welke belangen wegen het zwaarst? En wie neemt uiteindelijk de beslissing?

Technisch advies staat nooit helemaal los van die vragen. Een technisch logische oplossing kan duur zijn in beheer, onhandig uitpakken voor docenten, de afhankelijkheid van een leverancier vergroten of juist te voorzichtig zijn voor wat pedagogisch nodig is. Dat maakt het advies niet automatisch slecht. De afweging kan simpelweg anders liggen. Die afweging blijft bij de organisatie, ook als de specialistische kennis van buiten komt.

Wat moet je dan zelf kunnen?

Een organisatie die technisch vrijwel niets begrijpt, merkt ook moeilijker wanneer er specialistische hulp nodig is. Het wordt lastiger om te zien of een advies deugt en wat de gevolgen van een technische keuze later kunnen zijn. Daarom is er wel een intern minimum. Een onderwijsorganisatie moet genoeg technologisch begrip hebben om:

  • te herkennen wanneer een vraag niet alleen over functionaliteit gaat, maar ook over gegevens, beveiliging, toegankelijkheid, continuïteit of afhankelijkheid;

  • te beoordelen of een voorgestelde oplossing past bij het probleem én bij de organisatie;

  • door te vragen naar beheer, toegang, overdraagbaarheid en de gevolgen van technische keuzes;

  • te weten wie uiteindelijk beslist en welk risico daarbij wordt geaccepteerd.

Zonder die basis verschuift de regie al snel naar de partij die de techniek wel begrijpt. Formeel ligt de beslissing nog bij de organisatie, maar in de praktijk wordt de afweging dan elders gemaakt.

Hoeveel kennis hiervoor intern nodig is, verschilt sterk. Een grote onderwijsorganisatie kan een deel van die rol zelf dragen. Bij een kleinere organisatie met bijvoorbeeld een parttime ict-coördinator zal meer kennis collectief of extern worden georganiseerd. Dat hoeft geen probleem te zijn. Intern moet wel duidelijk zijn wie de afweging kan volgen, welke belangen worden ingebracht en wie beslist.

Hetzelfde geldt voor software die medewerkers zelf maken. In een apart artikel beschrijven we wanneer zo’n experiment niet meer alleen van de maker is, maar een verantwoordelijkheid van de organisatie wordt.

Externe expertise mag geen afhankelijkheid worden

Specialistische kennis kan prima buiten de organisatie zitten. Die kennis moet dan wel bruikbaar worden in de besluitvorming. Een externe specialist die alleen een antwoord geeft, laat veel van de afweging buiten beeld. De mensen die verantwoordelijk zijn voor de beslissing moeten begrijpen waarom een keuze wordt voorgesteld en wat de gevolgen ervan zijn.

Er speelt nog iets: afhankelijkheid. Als essentiële kennis, toegang of beslismacht bij één partij terechtkomt, is het probleem vooral verplaatst. Voor een technische partner betekent dat dat code, data, documentatie, accounts en toegang zo georganiseerd moeten zijn dat de klant de samenwerking kan beoordelen, met een andere partij kan voortzetten of uiteindelijk kan beëindigen.

Je moet bij een leverancier blijven omdat de samenwerking werkt, niet omdat vertrekken technisch niet meer kan. Vendor lock-in ontstaat meestal in de keuzes die veel eerder worden gemaakt.

Drie vragen om mee te beginnen

Je hoeft hiervoor niet morgen een technisch team op te bouwen. Drie vragen maken snel duidelijk waar het gat zit:

  • Wie kan intern technisch advies voldoende begrijpen om het af te wegen tegen onderwijsbelang, risico en lange termijn?

  • Welke specialistische kennis kunnen we snel betrekken wanneer onze eigen kennis niet voldoende is?

  • Kunnen we verder als een leverancier, medewerker of externe specialist wegvalt?

Als één van die vragen geen duidelijk antwoord heeft, is daar extra aandacht nodig. Dat betekent niet dat de organisatie zelf software moet gaan bouwen. Het betekent wel dat er te weinig basis is om verantwoordelijkheid voor die software te dragen.

Software kun je laten ontwerpen, bouwen en beheren. Specialistische kennis kan ook buiten de organisatie zitten. De afweging zelf kun je niet uitbesteden.

Over de auteur

Erik werkt aan digitale producten en platforms voor onderwijs- en kennisorganisaties, met aandacht voor UX, techniek, governance en continuïteit.

Erik van de Wiel

Erik van de Wiel

Product, UX & strategie

Kies je startpunt

Scherp starten

Van idee naar een concreet plan.
€2.000 ex. btw.

Bekijk

Eerste versie

Een werkende eerste versie in ongeveer twee weken. €12.500 ex. btw.

Bekijk

Bekijk

Een vast senior team voor je digitale product.

Bekijk